Ontwikkeling tot landbouwgebied vanaf de 11e eeuw

Lang voordat de polder De Lepelaar rond 1850 werd aangelegd bestond er al landbouw in het gebied. Recent onderzoek geeft een aardig beeld van de geschiedenis vanaf de 11e eeuw.

In de delta van de grote rivieren was veel afzetting van slib aangevoerd door de rivieren en de zee, wat vruchtbare gronden opleverde.

Ten zuiden van de toenmalige loop van de Merwede en Dubbel, in een gebied dat zich uitstrekte van Puttershoek tot Werkendam, begon de mens vanaf het eind van de 11e eeuw dit gebied actief te ontginnen.
Ontginnen betekende in dit geval dat op de hoger gelegen delen de begroeiing werd verwijderd en er sloten werden gegraven voor een betere afwatering van het land om het zo geschikt te maken voor agrarisch gebruik.
Dijken waren in eerste instantie nog niet nodig i.v.m. de relatief hoge ligging van de gronden..

Maar na verloop van tijd ging de grond door die betere afwatering inklinken en kreeg men wel (vaker) te maken met overstromingen. In reactie daarop ging men hoger liggende gronden op eerdere wijze ontginnen voor akkerbouw en werden de lagere gronden gebruikt voor gras en hooiland. Mensen inclusief hun bebouwing verhuisden dan naar de nieuwe hoger gelegen gronden.

Weer wat later gingen boeren hun land beter beschermen tegen het water door kades en dijken aan te leggen. Deze dijken ging men later op elkaar aansluiten en zo ontstonden hele ‘waarden’. In die tijd ontstonden ook de eerste waterschappen die afspraken over dijkonderhoud vastlegden.

De rivieren Merwede, Dubbel, Alm, Maas en Donge omringden deze waarden. Na 1250 werden deze rivieren afgedamd en ontstond er een groot omdijkt gebied van zo’n 500 km² groot. Dit gebied was enorm belangrijk voor de landbouw. Zo belangrijk zelfs dat in 1273 Jan van Heusden en Graaf Floris V een verdrag sloten over het onderhoud van de dijken. En toen werd voor het eerst de naam ‘Grote Waard’ in officiële stukken genoemd.

De Grote Waard werd de graanschuur van Holland genoemd. Er werd graan verbouwd en op de lagere gronden werd vee gehouden. Er waren eendenkooien, er werd gevist, turf gestoken en zout gewonnen. Kortom, het werd een heel welvarend gebied waarvan de aan de randen gelegen steden als Dordrecht, Heusden, Geertruidenberg en Zevenbergen volop profiteerden.

Maar aan deze overvloed zou begin 15e eeuw een einde komen. Het land zakte verder weg, dijken werden slecht onderhouden, mede door geldgebrek i.v.m. de Hoekse en Kabeljauwse twisten en door aanhoudende turf- en zoutwinning in de buurt van de dijken. De dijken braken steeds vaker door en herstel werd steeds lastiger.

In de nacht van 18 op 19 november 1421 was het de Sint Elisabethvloed die het einde van de Grote Waard inluidde. Na de grote dijkdoorbraken van 1421 en 1424 lukte het niet meer de dijken voldoende te herstellen. Stukje bij beetje viel de Grote Waard tussen 1421 en 1475 ten prooi aan het water.

Scroll naar boven